Vino Santo

Vino Santo, de heilige wijn uit Trentino-Zuid-Tirol. Het is met veel ontzag dat ik enkele slokken van deze bijzondere en zeldzame dessertwijn degusteer, ondertussen mijmerend over het einde van onze jaarlijkse gezinsweek die lang niet zo evident en “for granted” is als het soms lijkt.

Eerst even over de wijn. Vino Santo wordt gemaakt van laat geoogste Nosiola-druiven. Deze druiven worden na de oogst, die in oktober plaatsvindt, te drogen gelegd op rieten matten in goed geventileerde zolders. Het droogproces duurt heel lang, tot aan de Heilige Week (Pasen) van het jaar erop zelfs, waarna de druiven geperst worden en het sap op vaten gaat. Het rijpingsproces op vat duurt minimaal zes tot acht jaar wat zorgt voor een complexe en rijke smaak. Vino Santo is een fluweelzachte, zoete wijn met aroma’s van gedroogd fruit zoals abrikoos, pruimen en rozijnen en met hints van amandel en honing.

Ik schrijf dit verhaal neer op een moment dat de vreselijkste gruwel plaatsvindt. Onder onze neus verdorie. Ik denk aan de mensen die onmenselijk lijden of hun dierbaren zien lijden. Wij hebben hier in West-Europa verdorie zoveel, maar we zien het niet altijd en gooien het zomaar te grabbel. Door ons te laten verlijden tot zelfzuchtige consumptie en te kiezen voor simplistische en kortzichtige oplossingen. Politiekers hebben een grote verantwoordelijkheid, maar we vergeten dat we zelf ook dingen moeten doen. Wat positiever zijn, elkaar helpen, ja misschien ook wat minder consumeren en zo nu en dan eens een moedig standpunt innemen, bijvoorbeeld. 

Om die reden is het alvast goed om eens stil te staan. Zo wordt dat glaasje Vino Santo goed aangewend en doet het zijn naam eer aan. Proost !

Vive le égo

Wie in de jaren 90 en begin van de nillies wel eens naar de Tour de France keek, kon er niet omheen. Renners knalden als dolgedraaide stieren Hautacams en andere Ventoux’s op, stijf van epo en corticoïden en God weet welk spul nog allemaal. Iedereen deed het, iedereen wist het, en toch smulden publiek en journalisten van het schouwspel als vanouds en stelde niemand zich de écht lastige vragen.

Tot het potje overkookte, vele jaren later. De 7!touroverwinningen van Lance Armstrong bleken -oh verrassing- op doping gebaseerd te zijn. De vermaledijde man mocht ze allemaal inleveren. Een nieuw en proper tijdperk deed intrede en als ik me niet vergis werden zo menig tours uiteindelijk gewonnen door pakweg de 19de in de stand of zelfs nog verderop. Ridicuul natuurlijk.

Enter Johan Bruyneel. Het evil genius achter al het dopingleed, de leugens en totale volksverlakkerij van die tijd. De toenmalige ploegleider van US Postal en al haar opvolgers liep een levenslange ban op en is al enige jaren niet meer welkom in het peloton. Tot zijn groot verdriet, maar zuiverheid en breuk met het donkere verleden, daar kunnen we niet tegen zijn. Laten we dus maar hopen dat renners zich vandaag middels een goed functionerend dopingbeleid beschermd weten tegen belangen en verleidingen van allerlei aard.

Het was dus die Johan Bruyneel, die het nu eens mocht gaan uitleggen in de studio van Vive le vélo. De terugkeer van Bruyneel werd breed aangekondigd en zou volledig conform de richtlijnen van de VRT verlopen wat zou betekenen dat er deze keer -25 jaar later- wél vraag en antwoord zouden volgen. Wel, dat maakte me zeer benieuwd.

Wie de aflevering uiteindelijk bekeken heeft, kon echter met eigen ogen en oren vaststellen dat de hypocrisie doorheen al die jaren toch net wat minder snel geëvolueerd is dan de trainingsmethoden en het lichtere materiaal dat tegenwoordig voor de snelle klimtijden zorgt. Integendeel, wie een mea culpa of gewoon wat diepere inzichten over die donkere dopingperiode verwacht had, kwam bedrogen uit. Waar het echt om ging was dat Bruyneel mooi gescript zijn excuses aan het journaille moest aanbieden omdat hij destijds toch een beetje arrogant was geweest.

Appeltje eitje natuurlijk. Een notoir leugenaar vertelde me ooit dat er niets zo effectief is als excuses die je niet meent. En ik zou daar naar aanleiding van die aflevering zelfs nog een schepje bovenop durven doen. Niets zo effectief als ongemeende excuses terwille van het ego van de belangrijkste wielerjournalist van het land.

Bon. Nu het ego van enkele journalisten weer wat opgepompt is, staat niets de terugkeer van Bruyneel uiteraard nog in de weg. Voor mij geen probleem overigens. Ik erken de man zijn tactische inzichten ook zonder excuses. Ik hou van de koers, ik hou van de tour en ik hou vooral van het seizoen waarin de dagen wel eindeloos lijken. Vive le tour!

Is het tunnel of tunnèl?

De Sint-Annatunnel, in de volksmond beter bekend als “de voetgangerstunnel” tussen Antwerpen-Centrum en Linkeroever, haalt al enkele maanden de krantenkoppen omdat de liften en de roltrappen naar de tunnelkoker zowat permanent defect zijn. Vanavond plaatsen mijn collega’s van de meerderheid een motie op de agenda van de districtsraad om de bevoegde overheid (de Vlaamse) aan te manen snel werk te maken van het herstel van de liften en alle obstakels -van technische dan wel juridische aard- per direct weg te nemen.

Goed nieuws, zou je denken. Toch vochten de meerderheidspartijen -thans bestuursbuddies zowel Vlaams, in de stad, àls in het district Antwerpen- in de media al een aardig robbertje uit over de kwestie. De ruzie over wie de tunnel nu moet repareren, Lydia Peeters (mobiliteit) dan wel Matthias Diependaele (erfgoed), dikte ondertussen al aan tot dusdanige proporties dat de liberalen alvast aankondigden de motie te zullen verwerpen. In de motie zelf staat thans niet meer dan dat het district Antwerpen de bevoegde overheid aanmaant om snel tot actie over te gaan. Niks mis mee, zou je dan denken.

Willen de liberalen dan geen snelle oplossing voor onze tunnel? Welnu, deze ogenschijnlijk banale ruzie heeft uiteraard niets met de Sint-Annatunnel te maken, maar wel alles met het conflict dat Willem-Frederik Schiltz en zijn partij al enige tijd met zichzelf en ook een beetje met de nationalisten aan het uitvechten zijn over een schepenpost. En dat moge dubbel en dik jammer zijn. Jammer voor de Antwerpenaar die dagelijks over en weer moet pendelen, jammer voor de mensen met een rolstoel of andere fysieke beperking, jammer voor bezoekers aan onze mooie Koekenstad die hun wagen buiten de stad willen parkeren, jammer voor ieder persoon die gewoon comfortabel gebruik wil maken van deze unieke scheldeverbinding.

Onderstaand beeld is een beeld van de tunnel uit december 1932. Op het beeld zie je Camille Huysmans, die enkele maanden later de tunnel officieel als burgemeester zou inhuldigen met in zijn zog, jawel, een hele reeks liberale excellenties. Toen een omstander aan Huysmans vroeg, “Meneer, is het tunnel of tunnèl’, antwoordde die laatste laconiek “Meneer, is het pummel of pummèl?”. De reactie van Huysmans was tekenend, want het Frans was in die periode in vele Vlaamse en Antwerpse elitaire kringen nog steeds de voertaal. Huysmans had gelukkig door dat de gewone Antwerps sprekende Antwerpenaar met zulke banaliteiten niet was opgezet, de liberalen, net terug uit een oppositiekuur van 12 jaren, zwegen wijselijk.

Bon, deze kleine anekdote terzijde, of het nu tunnel dan wel tunnèl is, pummel dan wel pummèl, potatoe of potatoe, de kat zwart of wit en linksom dan wel rechtsom de muis vangt… voor mij en Vooruit is het enige wat telt, dat men de Sint-Annatunnel snel herstelt. Beste liberale en nationalistische bestuurders, maak aub niet de fout die jullie voorgangers ooit gemaakt hebben. Stop het gekibbel, stap over je eigen schaduw heen en maak die lift nu! Dank u.

bron afbeelding: AMSAB

Gewrongen tussen adelaar en kruisbeeld

De afgelopen dagen was ik voor een driedaagse trip in Polen. Tijdens dit korte intermezzo spijkerde ik mijn kennis over de Poolse maatschappij weer aardig bij en herwon ik mijn interesse in deze altijd zo boeiende en voor Belgen moeilijk te begrijpen natie. De witte adelaar -nationaal symbool bij uitstek- is in Polen nooit veraf, en het lijkt wel alsof het land volgende week bij de parlementsverkiezingen een zoveelste en ultieme ruk naar rechts zal maken. Omstreden mediawetten, onderdrukte LGBT-rechten, negatie van de wereldwijde ecologische realiteit,… dat zijn kwasi de enige nieuwsberichten die ons over Polen bereiken. Toch meen ik dat er wel heel wat meer te vertellen valt over Polen dan wat wij erover lezen in onze West-Europese media.

Bij het binnenrijden van Warschau -in een overigens zeer comfortabele trein- viel me meteen op dat de skyline van de stad op enkele jaren tijd weer stevig hertimmerd is. In 2010 stond de statige Stalin-toren er nog wat eenzaam en verloren bij, vandaag is hij omsingeld door wel 10 hogere, blinkende spiegelwolkenkrabbers waarop namen prijken als Mercedes-Benz, Deloitte, Axa, BNP Paribas en diens meer. Naar de naam Ghelamco is het evenmin lang zoeken, deze Belgische betonboer doet immers gouden zaken in Warschau, bouwde in 2016 de hoogste toren van de stad, en cashte er miljoenen euro’s voor. Op zich niks mis mee, de Belgische voetbalploegen floreren als nooit voorheen uiteindelijk, alleen blijft het een rauwe binnenkomer voor iemand als ik, die sinds 1986 om de paar jaren Polen bezoekt en soms nog wel eens getroffen wordt door een vleugje Ostalgie.

Naar die ostalgie zal het de komende dagen overigens lang zoeken zijn. Want als er nu één zaak is waarin de centraal-Europese staten en naties de afgelopen 30 jaar héél bedreven waren, dan is het wel het uitzuiveren en opkuisen van alle restanten van het communisme. En dat opkuisen slaat heus niet op het verwijderen van alle symbolen en restanten in het publieke domein, maar evenzeer op alle elementen in de politiek, rechtspraak, ambtenarij, media, cultuur, onderwijs of eender welk ander aspect van de maatschappij. Vergeet maar dat hier iemand nog één goed woord over de lippen krijgt over Solidarnosc of Lech Walesa, of pakweg over voormalig premier Miller en president Kwasniewski. Hoewel zij regeerden in de prille jaren 2000, meer dan 10 jaar na de omwenteling, staan zij geboekstaafd als ex-communisten en dus per definitie te wantrouwen, en sterker nog, weg te zuiveren.

Bovenstaande brengt me al snel bij PiS (Prawo i Sprawiedliwość), de in 2001 opgerichte conservatieve partij, die vliegensvlug naar de firmamenten van de Poolse macht doordrong en kwasi het volledige rechtse, centrum-rechtse en zelfs linkse politieke landschap opzoog. In de buitenwijken van Warschau, op de weg richting het mooie Marki, staan tegenwoordig billboards in formaten zoals je alleen in Amerikaanse films ziet. Daarop prijken uiteraard klassiekers als KFC, Mercedes-Benz (veel aandacht voor SUV en terreinwagens) en Ikea, maar bovenal toornen strenge blikken van strak in het pak zittende mannelijke PiS-politici boven je uit. Ik stel me de vraag hoeveel Zloty de partij over heeft voor haar campagne, maar ook waar de andere partijen zijn. Hier en daar vind je een billboard gevuld door het Burgerplatform en de liberalen van Malgorzata Kidawa-Blonska, op sommige plaatsen een klein zeil van Boerenpartij SLP, maar nérgens is ook maar één spoor terug te vinden van het linkse blok, een allegaartje van groenen, sociaal-democraten en ex-communisten, naar verluidt. Al ben ik van dat laatste eigenlijk niet zeker.

Hoewel dat linkse blok momenteel op maar zo’n 10% in de peilingen staat, gaat kwasi het volledige publieke debat op aan de kwestie rond LGBT in Polen. Dat moet een stevige streep door de rekening zijn van de rechtse partijen, dacht ik bij mezelf, maar misschien ook niet. Aan de vurigheid van de debatten af te leiden, op televisie en in de huiskamer, brengt de zaak het land in rep en roer. Hoewel ik vermoedde dat het zeer beladen zou zijn naar de mening over LGBT-rechten van enkele gewone Polen te vragen, verbaasde mij het gemak waarop men op mijn vragen antwoordde. OK, provocaties waarbij enkele altaren in kerken werden gemolesteerd, worden niet gesmaakt, maar al bij al ontwaarde ik weinig moeite met het aanvaarden van holebi’s. Zou hier toch een spatje christelijke barmhartigheid meespelen? Spreken de politieke leiders misschien meer gespierde taal dan de gewone mensen op straat? Of werd mijn beeld vertroebeld omdat ik mij toch in vooral stedelijke kringen begaf?

Hoe het ook zij, wie naar Polen reist, is maar beter voorzien op honger en een te vullen maag. De gastvrijheid van de Polen is nog steeds dezelfde als de gastvrijheid die ik in de jaren 80 mocht ervaren. Ze openbaart zich volledig in eten. Om 17.00u wordt de tafel gedekt en wanneer je tegen 19.00u klaar bent, mag je snel even naar het toilet alvorens men de tafel opnieuw dekt. Dat lange tafelen, tussendoor ook wat wodka borrelen, heeft dan weer als voordeel dat je lange gesprekken kan voeren. Of de militarisering van het land dan geen zorgen baart? Wel, het antwoord daarop is steeds hetzelfde. Een land dat al sinds haar ontstaan gedomineerd wordt door Russische en Duitse invasies, moet nu éénmaal zelf voor haar veiligheid instaan. Ik denk soms wel eens bij mezelf, dat wij onze veiligheid in België iets te makkelijk als verworven beschouwen. Het antwoord van de Polen op hun onveiligheidskwestie, met het oprichten van milities en dergelijke, is misschien niet helemaal koosjer, maar is wel begrijpelijk.

Wanneer ik door de straten van Warschau slenter, bevangt mij nog het meest van al het gevoel dat ik door een rauw kapitalisme omsingeld wordt. Alsof de Poolse Chicago-boys op vergelding uit zijn en over je schouder heen in je oor fluisteren ‘Nu is het aan ons’. Ten tijde van het communisme was de sfeer in de straat kleurloos en bedrukt, maar vandaag is de sfeer even kleurloos met al die eenheidsworst van corporaties en reusachtige billboards om je heen. De sfeer is mogelijk nog bedrukter. De costuums (mensen in pak) om je heen wandelen gehaast, met een beker Costa-koffie in de hand, naar hun volgende meeting. De Vola-wijk onderscheidt zich op die manier amper van de Londense City, maar er zijn twee grote verschillen: ten eerste, alle mensen zijn hier blank en hebben een Slavisch voorkomen, ten tweede, de facturen mogen dan wel worden opgesteld door Poolse accountants, de begunstigden ervan bevinden zich in Berlijn, Moskou, Brussel en New York. Noem mij één Poolse corporatie die meespeelt op wereldniveau? Ik ken ze niet.

Meer dan 30 jaar na de val van het communisme zitten de Polen als vanouds geprangd tussen nationalisme en religieuze barmhartigheid, tegelijk ook een onderdeel van dat nationalisme. De verbindende factor in Polen is en blijft de Kerk, van dat instituut blijf je dus maar beter af wil je ook maar enigszins kans maken als politicus. Het verklaart wellicht ook wel voor een stuk de val van het liberale Platforma Obywatelska (PO).

Is de PiS dan op weg naar een volgende landslide bij de verkiezingen van 13 oktober? Wellicht wel, maar de vorm van socialisme die ze tentoonspreidt (‘Pools socialisme’ met hogere lonen voor ambtenaren, meer kindergeld voor gezinnen en nationaliseringen in de belangrijkste strategische sectoren) zorgt op haar beurt weer voor ongenoegen en gezond wantrouwen tegenover de PiS. Staat er over enkele jaren een nieuwe machtswissel in de steigers? Ik durf wedden van wel, maar om het rauwe kapitalisme in de straten van Warschau te bestrijden, zou ik toch nog steeds en als vanouds mijn eieren in het mandje van de Poolse Kerk durven leggen.

La Bomba

De winter van 1991/1992 was het. Eurosport vulde voor het eerst onze huiskamer met exotische sporten waar ik voorheen nooit van gehoord had. Voortaan kon ik kennismaken met het gewaagde speedway, grotesk WWF wrestling of spectaculaire BMX cross. Ongezien! Voorheen moest ik het immers, op een snelle flits van één of andere obscure sport in Sportweekend na, stellen met koerscommentaren van Vanlombeek en Uytterhoeven. En om de 4 jaar met “KOOOOLLL KOOOLLLL KOOOOLLL”voetbalcommentaar van De Saedeleir natuurlijk. Geen slecht woord over deze laatsten, maar toch, het was en bleef een nogal Vlaams onderonsje.

Uren spendeerde ik achter de buis. Dankzij Eurosport, en ook een beetje de kabeltelevisie, verwijdde de blik van deze 9-jarige op enkele maanden met rasse schreden, al was het maar dat ik hoogstpersoonlijk kon vaststellen dat ook Finnen, Oostenrijkers, Slovenen en pakweg Luxemburgers sport beoefenden.

Het meest van al intrigeerden de wintersporten mij. Van het 4-schansentoernooi hadden we al gehoord via ZDF en andere Duitse zenders, maar biathlon, bobsleeën, kunstschaatsen en alpineskiën waren echt wel nieuw. Besneeuwde alpentoppen kwamen dansend op me af. Duizenden mensen stonden in bonte kleuren te supporteren en altijd klonken er wel ergens koebellen door de menigte heen. Ik kon de pistes en de frisse winterse berglucht ruiken, zonder er zelf ooit één keer geweest te zijn. De deuntjes van Tyrolia (‘Welcome to the fun”) en Rossignol kan ik tot de dag van vandaag meeneuriën.

Nooit zal ik vergeten hoe een nieuwe god zich bij me aandiende. Alberto Tomba, Tomba La Bomba, beleefde in die bewuste winter van 1991/92 zijn comeback. Dat hij in 1988 als 21-jarig broekje goud had gepakt op de spelen in Calgary, maar daarna nooit meer op niveau was gekomen, vertelde een geëxalteerde Nederlandse commentaarstem. Maar nu stond Bomba er helemaal terug. 90 kilo, scherp aan de haak, enkel van zijn berg afdalend om een medaille in ontvangst te nemen en daarna snel -liefst per helikopter- terug te vliegen naar zijn mansion boven op de top.

Tomba La Bomba stond voor alles waar ik niet voor stond. Liederlijkheid, losbandigheid, gulzigheid en arrogantie. En toch. En toch supporterde ik vol overgave voor hem. Weekend na weekend genoot ik mee van zijn successen. Niemand kon zichzelf zo agressief als hem maar tegelijk ook zo elegant tussen de poortjes laveren. Niemand sneed zo fel als hem door te bochten. Niemand verhoogde zijn skibindingen met zelfgemaakte plaatjes om nog scherper te kunnen carven. Niemand!

In 1998 kondigde Alberto “io sono una bestia” Tomba zijn afscheid aan. De Spelen in Nagano liepen uit op een sisser van jewelste, maar later dat jaar pakte Tomba nog wel één keer verwoestend uit in de slalom van het mondaine (waar anders?) Crans-Montana. Toen ik enkele jaren geleden in Peio Fonti in restaurant “Il Molino” dineerde, zag ik in de gang een foto van de chef poserend met Tomba. Te vet uiteraard, maar nog steeds even kwiek en monter als voorheen.

Ik weet niet of ik ooit nog een sportheld zal ontdekken als Alberto Tomba. Ik weet wel dat hij me tot de dag van vandaag plezier bezorgt.